week4

Views:
 
Category: Entertainment
     
 

Presentation Description

No description available.

Comments

Presentation Transcript

Week 4: Hoofdstuk 8 en 10: 

Week 4: Hoofdstuk 8 en 10 Winstmaximalisatie in competitieve markten Marktmacht

PowerPoint Presentation: 

CHAPTER 8 Profit Maximization and Competitive Supply 8.1 Perfectly Competitive Markets 8.2 Profit Maximization 8.3 Marginal Revenue, Marginal Cost, and Profit Maximization 8.4 Choosing Output in the Short Run 8.5 The Competitive Firm’s Short-Run Supply Curve 8.6 The Short-Run Market Supply Curve 8.7 Choosing Output in the Long Run 8.8 The Industry’s Long-Run Supply Curve

PERFECTLY COMPETITIVE MARKETS: 

PERFECTLY COMPETITIVE MARKETS 8.1 Homogeen product (en geen verschil in transactiekosten) Veel kopers en veel verkopers, dus niemand heeft invloed op de prijs, iedereen is prijsnemer Vrije toetreding Geen informatieprobleem; gratis info over Kwaliteit Prijzen Homogeen product Wanneer de producten homogeen zijn, kan geen firma de zijn vraagprijs verhogen zonder zijn klanten te verliezen Vrije toetreding en uittreding Er zijn geen speciale kosten om de markt te betreden Wanneer is een markt competitief? Veel firma’s is geen voldoende voorwaarde voor een competitieve markt, omdat firma's kunnen samenspannen en kartels kunnen vormen Ook als er weinig firma’s zijn kan een competitief zijn, bijvoorbeeld door de dreiging van toetreding

PROFIT MAXIMIZATION: 

PROFIT MAXIMIZATION 8.2 Is het doel van alle bedrijven om de winst te maximaliseren? Bij sommige bedrijven is bij de huidige prijs de vraag groter dan ze kunnen produceren, maar ze verhogen de prijs toch niet. Bijvoorbeeld een goede schoenmaker, of beroemde restaurants zoals Elbulli. Over het algemeen opereren deze firma’s niet in perfect competitieve markten, maar hebben ze marktmacht. Het management van grote bedrijven kan andere doelstellingen hebben dan een maximale winst, bijvoorbeeld zoveel mogelijk werknemers (als hun salaris afhangt van het aantal ondergeschikten); daar zijn de aandeelhouders niet blij mee. Op langere termijn zal dit problematisch zijn in een competitieve omgeving. Over het algemeen zal (op langere termijn) winstmaximalisatie het belangrijkste doel van de meeste bedrijven zijn.

MARGINAL REVENUE, MARGINAL COST, AND PROFIT MAXIMIZATION: 

MARGINAL REVENUE, MARGINAL COST, AND PROFIT MAXIMIZATION 8.3 ● Winst Totale opbrengst/baten ( return ) minus totale kosten π(q) = R(q) − C(q) ● Marginale opbrengst ( marginal return ) Verandering in opbrengst door 1 eenheid meer te verkopen. ● In een competitieve markt is de marginale opbrengst gelijk aan de marktprijs. Profit Maximization in the Short Run Figure 8.1 De winst, het verschil tussen de opbrengst R en de kosten C , is het grootst bij productie q *. Op dat punt is zijn de marginale kosten (richtingscoëfficiënt van de kostencurve) gelijk aan de marginale opbrengsten/baten (richtingcoëfficiënt van de opbrengstencurve). Δπ/Δ q = Δ R / Δ q − Δ C / Δ q = 0 MR( q ) = MC( q )

MARGINAL REVENUE, MARGINAL COST, AND PROFIT MAXIMIZATION: 

MARGINAL REVENUE, MARGINAL COST, AND PROFIT MAXIMIZATION 8.3 Vraag en marginale opbrengsten voor een enkele firma en de hele markt in geval van perfecte competitie Demand Curve Faced by a Competitive Firm Figure 8.2 In een competitieve markt verzorgt een enkele firma maar een heel klein deel van de markt en is daarom een prijsnemer die de marktprijs als gegeven beschouwd. Een firma zal bij zijn productiekeuze uitgaan van die marktprijs, $4 in dit voorbeeld. Laat de vraagcurve van de firma zien: perfect elastisch. Voor een prijs hoger dan 4 is de vraag 0 en voor een prijs van 4 of lager kan de firma zoveel verkopen als hij wil. De markt vraag in (b) is echter dalend: als de prijs lager is zijn consumenten bereid meer te kopen.

CHOOSING OUTPUT IN THE SHORT RUN: 

CHOOSING OUTPUT IN THE SHORT RUN 8.4 De korte termijn winst van een firma in een competitieve markt A Competitive Firm Making a Positive Profit Figure 8.3 In de korte termijn wordt de winst gemaximaliseerd bij een productie waarbij de marginale kosten MC gelijk zijn aan de marktprijs P (=marginale opbrengst). Dit is het geval bij q*=8. De winst van de firma is gelijk de rechthoek ABCD, namelijk de productie (8) maal het verschil tussen de prijs en de gemiddelde kosten. Als de firma minder ( q 1 ) of meer ( q 2 ) zou produceren, zou de winst kleiner zijn.

CHOOSING OUTPUT IN THE SHORT RUN: 

CHOOSING OUTPUT IN THE SHORT RUN 8.4 De korte termijn verlies van een firma in een competitieve markt A Competitive Firm Incurring Losses Figure 8.4 De MC snijdt de MR (=P) lijn in A en de optimale productie is q*. In dit punt is het verlies de rechthoek ABCD. Als de firma niet zou produceren, zou een verlies worden gemaakt ter grootte van de vaste kosten EBCF. Door wel te produceren wordt dus een deel van de vaste kosten nog terugverdiend (EADF). Als de prijs zou dalen tot onder de AVC curve, kan de productie beter worden stopgezet.

THE COMPETITIVE FIRM’S SHORT-RUN SUPPLY CURVE: 

THE COMPETITIVE FIRM’S SHORT-RUN SUPPLY CURVE 8.5 De aanbodcurve van een firma is het deel van de marginale kosten curve boven de gemiddelde variabele kostencurve . The Short-Run Supply Curve for a Competitive Firm Figure 8.6 Op de korte termijn wordt de productie gekozen zodat MC=P, zolang de prijs hoger is dan de AVC. Bij een lagere prijs is de productie 0. De korte termijn aanbodcurve is het gearceerde lijntje boven de oorsprong en het gearceerde deel van de marginale kostencurve MC.

THE COMPETITIVE FIRM’S SHORT-RUN SUPPLY CURVE: 

THE COMPETITIVE FIRM’S SHORT-RUN SUPPLY CURVE 8.5 Samenvattend: The Short-Run Supply Curve for a Competitive Firm Figure 8.6 Niet produceren Produceren met verlies Produceren met winst

THE SHORT-RUN MARKET SUPPLY CURVE: 

THE SHORT-RUN MARKET SUPPLY CURVE 8.6 Industry Supply in the Short Run De korte termijn marktaanbodcurve is de som van de individuele aanbodcurven. Bij een prijs lager dan P 1 is niemand bereid te produceren, tussen P 1 en P 2 alleen firma 3 en een bij een prijs hoger dan P 2 alle drie de firma's. Bijvoorbeeld bij een prijs van P 3 willen deze drie firma's respectievelijk 4, 7 en 10 produceren en dat maakt samen 21. Figure 8.9 De marktaanbodcurve zal naar rechts gaan (aanbod groter) wanneer de aanbodcurve van een van de firma’s naar rechts gaat, of wanneer er firma’s toetreden tot de markt.

THE SHORT-RUN MARKET SUPPLY CURVE: 

THE SHORT-RUN MARKET SUPPLY CURVE 8.6 Producentensurplus van een firma op de korte termijn Producentensurplus is de som over alle geproduceerde eenheden van het verschil tussen de marktprijs en de marginale kosten van die eenheid (de oppervlakte tussen P en MC). = gelijk aan de opbrengst minus de totale variabele kosten = gelijk aan de winst plus de vaste kosten Producer Surplus for a Firm Het producentensurplus is het gele oppervlak tussen de markt prijs P en de marginale kostencurve MC, tussen 0 en q*, de winstmaximaliserende productiehoeveelheid. Het producentensurplus is ook de oppervlakte ABCD omdat de som van alle marginale kosten tot q* gelijk is aan de totale variabele kosten. Figure 8.11

THE SHORT-RUN MARKET SUPPLY CURVE: 

THE SHORT-RUN MARKET SUPPLY CURVE 8.6 Producentensurplus van een markt op de korte termijn Producer Surplus for a Market Het producentensurplus van de markt is het gebied tussen de marktprijs en de aanbodcurve, tussen 0 en de evenwichtshoeveelheid Q*. Figure 8.12

CHOOSING OUTPUT IN THE LONG RUN: 

CHOOSING OUTPUT IN THE LONG RUN 8.7 Winst maximalisatie op lange termijn Output Choice in the Long Run De marktprijs is $40 en op korte termijn zal de firma q 1 willen produceren omdat daar de prijs gelijk is aan de korte termijn marginale kosten SMC . De winst is dan het gele oppervlak ABCD . Op lange termijn, bij eenzelfde prijs van $40, zal de firma een productieniveau kiezen q 3 zodat de lange termijn marginale kostencurve LMC gelijk is aan de prijs. De winst is dan EFGD . Echter, op lange termijn zal de prijs niet gelijk blijven aan $40 omdat toetreders aangelokt worden door deze winsten. Toetreding gaat door totdat de prijs is gezakt naar $30, de prijs waar LMC = LAC en de winst dus 0 is. Figure 8.13

CHOOSING OUTPUT IN THE LONG RUN: 

CHOOSING OUTPUT IN THE LONG RUN 8.7 Lange termijn competitief evenwicht Als in een bedrijfstak economische winst wordt gemaakt, zal dit toetreders aanlokken Door deze toetreders zal de marktaanbodcurve naar rechts bewegen en de prijs dalen Dit gaat door totdat de economische winst in deze bedrijfstak naar 0 gaat Dat betekent niet dat de firma’s in deze bedrijfstakken dan niets meer verdienen! Het betekent alleen dat het rendement in deze bedrijfstak hetzelfde is als in andere bedrijfstakken (bedenk dat het begrip economische winst rekening houdt met gelegenheidskosten!)

CHOOSING OUTPUT IN THE LONG RUN: 

CHOOSING OUTPUT IN THE LONG RUN 8.7 Lange termijn competitief evenwicht Long-Run Competitive Equilibrium (a) Wanneer de prijs $40 is, zal de firma q 1 produceren. Hier is de LMC gelijk aan de prijs en hoger dan de gemiddelde kosten LAC: er wordt dus winst gemaakt. Op het nivo van de bedrijfstak (b) snijdt hier S 1 de vraagcurve D . De winst bij een prijs van 40 lokt toetreding uit en de markt aanbodcurve (b) zal naar rechts bewegen. Toetreding gaat door totdat de nieuwe prijs van $30 wordt bereikt en niemand meer economische winst maakt. Er is dan geen prikkel meer om toe of uit te treden. Figure 8.14 q 1

CHOOSING OUTPUT IN THE LONG RUN: 

CHOOSING OUTPUT IN THE LONG RUN 8.7 Lange termijn competitief evenwicht Drie voorwaarden voor een lange termijn evenwicht : Alle firma’s maximaliseren hun winst ( MC=MR ). 2. Geen enkele firma heeft een prikkel om de markt te betreden of te verlaten want iedereen heeft een economische winst van 0 ( P=LAC ) 3 . De prijs van het produkt is zo dat de marktvraag gelijk is aan het marktaanbod Omdat in een competitieve markt geldt dat MR=P, geldt dus dat MC=MR=P=LAC Dus lange termijn MC=AC en we wteen dat de marginale kostencurve de gemiddelde kosten curve snijdt waar de gemiddelde kosten curve minimaal is: er wordt in het lange termijn evenwicht dus voor minimale kosten geproduceerd!

THE INDUSTRY’S LONG-RUN SUPPLY CURVE: 

THE INDUSTRY’S LONG-RUN SUPPLY CURVE 8.8 Bedrijfstak met constante kosten ● de lange termijn aanbodcurve is horizontaal . Long-Run Supply in a Constant-Cost Industry In (b) is de lange termijn aanbodcurve de horizontale lijn S L . Als de vraag stijgt naar D2 zal eerst de prijs stijgen (punt A naar punt C), en firma's breiden hun productie uit van q 1 naar q 2 , zie (a), en maken dan winst (P>AC). Dat leidt echter tot toetreding van andere firma’s waardoor het marktaanbod naar rechts verschuift: D2 in (b). Toetreding vindt plaats totdat we weer op prijs P1 zitten: punt B in (b). Figure 8.16 De lange termijn aanbodcurve is horizontaal bij een prijs die gelijk is aan de lange termijn minimum gemiddelde kosten (MC=AC voor iedere firma).

THE INDUSTRY’S LONG-RUN SUPPLY CURVE: 

THE INDUSTRY’S LONG-RUN SUPPLY CURVE 8.8 Bedrijfstak met toenemende kosten ● de lange termijn aanbodcurve is stijgend (doordat de prijzen van de inputs groter worden bij een grotere productie) Long-Run Supply in an Increasing-Cost Industry In (b) is de lange termijn aanbodcurve de stijgende curve S L . Als de vraag stijgt, zal de prijs stijgen, De firma’s breiden hun productie uit van q 1 naar q 2 in (a). Dat leidt tot een verschuiving van de aanbodcurve van S 1 naar S 2 in (b) Het nieuwe evenwicht is bij een hogere prijs P 3 dan de oude prijs P 1 . Figure 8.17

THE INDUSTRY’S LONG-RUN SUPPLY CURVE: 

THE INDUSTRY’S LONG-RUN SUPPLY CURVE 8.8 Het effect van een belasting per eenheid productie Effect of an Output Tax on Industry Output In een competitieve markt zal een belasting t per eenheid product de aanbodcurve omhoog verplaatsen (S 2 ). In het nieuwe evenwicht zal de prijs hoger zijn en de hoeveelheid kleiner. De prijs zal met minder dan t stijgen; hoeveel precies hangt af van de vorm van vraag en aanbod: bij een relatief elastische vraag zal de prijs relatief weinig stijgen. Figure 8.19

PowerPoint Presentation: 

CHAPTER 10 Market Power: Monopoly and Monopsony 10.1 Monopoly 10.2 Monopoly Power 10.3 Sources of Monopoly Power 10.4 The Social Costs of Monopoly Power (10.5 Monopsony 10.6 Monopsony Power 10.7 Limiting Market Power: The Antitrust Laws)

Market Power: Monopoly and Monopsony: 

● monopolie Markt met maar 1 verkoper. ● monopsonie Markt met maar 1 koper. ● markt macht Mate waarin de koper of verkoper in staat is om de prijs te bepalen Market Power: Monopoly and Monopsony

MONOPOLY: 

MONOPOLY 10.1 Eigenschappen van een monopolie ● Enige producent ● Geen toetreding mogelijk van andere producenten (nemen we aan, anders dynamisch probleem, dat is voor gevorderden) ● Monopolist is geen onderdeel van de aanbodzijde van de markt, maar is de aanbodzijde ● De monopolist kiest een punt prijs-hoeveelheid op de vraagcurve ( éé n prijs, laten we los in hoofdstuk 11) ● Een monopolist heeft geen aanbodcurve (immers een aanbodcurve is voor iedere gegeven marktprijs hoeveel de producent wil verkopen, maar er is geen gegeven marktprijs, die kiest de monopolist zelf)

MONOPOLY: 

MONOPOLY 10.1 Hoeveel zal een winstmaximaliserende monopolist produceren? De winst π is het verschil tussen totale opbrengst en totale kosten. Zowel opbrengst als kosten hangen af van de hoeveelheid Q : π (Q)=R(Q)-C(Q) Als we het maximum van een functie willen bepalen, stellen we de eerste afgeleide 0 (dat is de eerste orde voorwaarde): Δ π / Δ Q = Δ R / Δ Q - Δ C / Δ Q =0 Maar Δ R /Δ Q is de marginale opbrengst en Δ C /Δ Q is marginale kosten. De eerste orde voorwaarde is dus: MR-MC=0, dus MR=MC Tot dusver hetzelfde als in volledige competitieve markten, het verschil is dat in competitieve markten MR gelijk is aan de marktprijs P (producent is immers prijsnemer), en dat is niet het geval bij een monopolie!

MONOPOLY: 

MONOPOLY 10.1 Marginale opbrengst (Marginal Revenue) ● = De verandering in opbrengst door het produceren van een extra eenheid. ● In een competitieve markt levert een extra eenheid altijd de marktprijs P op omdat de producent geen invloed heeft op de marktprijs. ● Als een monopolist een extra eenheid produceert, verandert dat ook de prijs die hij kan vragen voor al zijn eenheden. TABLE 10.1 Total, Marginal, and Average Revenue Price (P) Total Marginal Average P = 6 – Q Quantity (Q) Revenue (R) Revenue (MR) Revenue (AR) $6 0 $0 --- --- 5 1 5 $5 $5 4 2 8 3 4 3 3 9 1 3 2 4 8 -1 2 1 5 5 -3 1

MONOPOLY: 

MONOPOLY 10.1 Gemiddelde en marginale opbrengst Gemiddelde opbrengst (=vraagcurve) en marginale opbrengst bij de marktvraag P(Q) = 6 − Q . De totale opbrengst is P*Q=(6-Q)*Q=6Q-Q 2 De marginale opbrengst is de afgeleide naar Q is dan MR(Q) = 6 - 2Q De marginale kostenfunctie loopt dus ook door (0,6) en is twee maal zo steil. Average and Marginal Revenue Figure 10.1

MONOPOLY: 

MONOPOLY 10.1 Hoeveel zal een winstmaximaliserende monopolist produceren? Bij de hoeveelheid Q * geldt dat MR = MC. Minder produceren, bijvoorbeeld Q 1 is niet optimaal omdat de extra inkomsten van meer produceren tussen Q 1 en Q * meer is dan de extra kosten. Dito, meer produceren dan Q *, bijvoorbeeld Q 2 , is niet verstandig omdat de extra opbrengst niet opweegt tegen de extra kosten. Immers, door meer produceren daalt de prijs die de producent kan vragen voor het product. Profit Is Maximized When Marginal Revenue Equals Marginal Cost Figure 10.2

MONOPOLY: 

MONOPOLY 10.1 Voorbeeld (a) laat de totale opbrengst R , de totale kosten C , en het verschil tussen deze twee, de winst, zien. (b) laat de gemiddelde en marginale opbrengsten en kosten zien. De marginale opbrengst is de richtingscoëfficiënt (afgeleide) van de totale opbrengsten en de marginale kosten is de richtingscoëfficiënt (afgeleide) van de totale kostenfunctie. In dit voorbeeld is de optimale productie Q * = 10, dat is het punt waar MR=MC. Bij deze productie is de winst maximaal, de richtingscoëfficiënt (afgeleide) van de winst 0 en zijn dus de afgeleide van de opbrengsten (MR) gelijk aan de afgeleide van de kosten (MC). Example of Profit Maximization Figure 10.3

MONOPOLY: 

MONOPOLY 10.1 Het verband tussen de prijs en de elasticiteit van de vraag Bij de optimale prijs-hoeveelheid geldt dat MR=MC. MR is de afgeleide van de opbrengst en de opbrengst is de hoeveelheid maal de prijs R(Q)=Q*P(Q) Om de afgeleide naar Q te bepalen moeten we de productregel toepassen: De extra opbrengst van meer produceren - Door meer productie een lagere prijs voor alle eenheden + De verkoop van een extra eenheid levert P(Q) op

MONOPOLY: 

MONOPOLY 10.1 Het verband tussen de prijs en de elasticiteit van de vraag Om de winst te maximaliseren stellen we de marginale opbrengsten MR gelijk aan de marginale kosten MC: ● E d is een negatief getal en dus P>MC ● Als de vraag elastisch is ( E d dus een groot negatief getal) zal P dicht bij MC zitten ● Wanneer E d dichter bij -1 (maar <-1) zit zal de prijs hoger zijn (10.1) We kunnen ook de prijs noteren als een prijsverhoging bovenop de marginale kosten: (10.2)

MONOPOLY POWER: 

MONOPOLY POWER 10.2 In een perfect competitieve markt is de prijs op lange termijn gelijk aan de marginale kosten. Een monopolist kan een prijs vragen hoger dan de marginale kosten. Een maat voor de marktmacht van een firma is de Lerner index die aangeeft in hoeverre de firma een prijs kan vragen hoger dan de marginale kosten: Mate van monopolie macht ( 10.4 ) L=0 betekent geen marktmacht (P=MC) en naar mate L dichter bij 1 komt is de marktmacht groter. De Lerner index kan je ook uitdrukken in de elasticiteit van de vraag voor het product van de firma:

SOURCES OF MONOPOLY POWER: 

SOURCES OF MONOPOLY POWER 10.3 Drie factoren die de elasticiteit van de vraag voor de firma (en dus de marktmacht) bepalen. De elasticiteit van de marktvraag. Immers, de elasticiteit van de vraag voor de firma zal minstens zo groot zijn als de elasticiteit van de markt. Het aantal firma’s in de bedrijfstak (concentratie). Naar mate er meer firma’s zijn is het moeilijk invloed op de prijs te hebben. Als er toetredingsbarrières zijn voor nieuwkomers (vergunningen, diploma's, etc) vergroot dat de marktmacht. De interactie tussen de firma’s. Agressief concurrerend of juist (impliciet) samenwerkend.

THE SOCIAL COSTS OF MONOPOLY POWER: 

THE SOCIAL COSTS OF MONOPOLY POWER 10.4 Door monopoliemacht treedt welvaartsverlies (deadweight loss) op. Vergeleken met een competitieve markt (met prijs P c en hoeveelheid Q c ) gaan consumenten er op achteruit doordat er minder product wordt verkocht ( Q m ) en tegen een hogere prijs ( P m ): het consumentensurplus neemt af met de oppervlakten A en B . Het producentensurplus neemt af met C (omdat er minder verkocht wordt) maar stijgt met A (de prijs van de verkochte goederen zijn hoger). Het totale surplus neemt dus af met B en C . Deadweight Loss from Monopoly Power Figure 10.10 ● Welvaartsverlies treedt op doordat er minder wordt geproduceerd en geconsumeerd dan in het competitief evenwicht en de prijs hoger is. ● De overheid kan proberen dit welvaartsverlies te beperken door een maximumprijs in te stellen.

THE SOCIAL COSTS OF MONOPOLY POWER: 

THE SOCIAL COSTS OF MONOPOLY POWER 10.4 Het verminderen van het welvaartsverlies door een maximumprijs Zonder overheidsingrijpen zal de monopolist Q m produceren en een prijs P m vragen. Als de overheid een maximumprijs van P 1 instelt, zal de gemiddelde en marginale opbrengst voor de firma tot de hoeveelheid Q 1 gelijk zijn aan P 1 . Voor de productie groter dan Q 1 blijven de oorspronkelijke MR en AR van toepassing. De nieuwe MR curve is dus de paarse lijn, die snijdt de MC bij de hoeveelheid Q 1 ; dit zal dus de nieuwe hoeveelheid worden en de nieuwe prijs zal P 1 zijn. Price Regulation Figure 10.11

THE SOCIAL COSTS OF MONOPOLY POWER: 

THE SOCIAL COSTS OF MONOPOLY POWER 10.4 Het verminderen van het welvaartsverlies door een maximumprijs De maximumprijs kan nog verder worden verlaagd tot P c , waar de marginale kosten gelijk zijn aan de gemiddelde opbrengst. In dat geval zal de productie stijgen tot het maximum Q c , de productie die in een competitieve markt zou zijn behaald. Het nog verder verlagen van de maximumprijs heeft tot gevolg de productie gaat dalen en dat de vraag groter zal worden dan het aanbod; een tekort van Q ’ 3 − Q 3 . Price Regulation Figure 10.11 ● Probleem : om de optimale maximumprijs te bepalen zou de overheid de marginale kostencurve van de monopolist moeten kennen.

THE SOCIAL COSTS OF MONOPOLY POWER: 

THE SOCIAL COSTS OF MONOPOLY POWER 10.4 Natuurlijk monopolie Wanneer de overheid een maximumprijs zou instellen van P c zou de natuurlijke monopolist altijd verlies leiden omdat de AC curve boven de MC curve ligt. De monopolist zou dan op den duur de markt verlaten In dit geval is een maximumprijs P r optimaal omdat dan de maximale productie Q r wordt bereid waarmee de firma geen verlies maakt. ● Bij een productietechnologie waarbij de marginale en gemiddelde kosten blijven dalen, zal de firma met de grootste productie altijd het goedkoopst kunnen produceren en concurrenten van de markt kunnen drukken: er blijft dan altijd één firma over: een natuurlijke monopolist . Regulating the Price of a Natural Monopoly Figure 10.12

THE SOCIAL COSTS OF MONOPOLY POWER: 

THE SOCIAL COSTS OF MONOPOLY POWER 10.4 Reguleren van monopolies in de praktijk ● De overheid is niet in staat de MC en AR curven van de monopolist waar te nemen en kan dus ook niet een optimale maximumprijs vaststellen. ● De mate van marktmacht is ook af te lezen aan het rendement van het vermogen: als dat hoger ligt dan in andere markt kan de monopolist blijkbaar een te hoge prijs vragen. ● De overheid kan de maximumprijs verlagen of verhogen als dat rendement respectievelijk te hoog of te laag is: dit heet een rate-of-return regulation ● Nadeel is dat de firma geen prikkel meer heeft om te investeren in efficiëntere productie: wat daarmee wordt verdiend wordt immers weer afgeroomd door een lagere maximumprijs. ● Een tweede probleem ontstaat als de monopolist ook op andere, competitieve, markten opereert. Bijvoorbeeld de post die een monopolie had op brieven tot 20 gram, maar ook pakjes bezorgde.

Opgaven van deze week: 

Opgaven van deze week W4 Deze week: Hoofdstuk 8: Review Questions 4,5,7,11 Excercises 1,(4),5,7,10 Hoofdstuk 10: Review Questions 4,7 Excercises 3,(4),11,18 Powerpoint slides zijn te vinden op Blackboard We gaan geen uitwerkingen verstrekken van de opgaven!